Skip to main content

Een opvallend arrest van het Hof van Cassatie van 12 maart 2026 zet de fiscale wereld op scherp. In deze beslissing bevestigt het Hof dat belastingplichtigen onder bepaalde omstandigheden mogen vertrouwen op afspraken met de fiscus, zelfs wanneer die afspraken juridisch niet stroken met de wet.

Deze uitspraak verfijnt de delicate balans tussen het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en kan belangrijke gevolgen hebben voor de fiscale praktijk.

Het geschil: een akkoord met de fiscus

De zaak betrof een Belgische vennootschap die gebruik maakte van de (intussen afgeschafte) aftrek voor octrooi-inkomsten uit het Wetboek Inkomstenbelastingen 1992.

Na een fiscale controle werd een akkoord gesloten met de administratie, waardoor de vennootschap deze aftrek mocht toepassen vanaf aanslagjaar 2015.

Later kwam de fiscus echter terug op dat akkoord. Volgens de administratie was er sprake van een vergissing: de betrokken octrooien waren op dat moment al vervallen, waardoor de aftrek wettelijk gezien niet meer mogelijk was.

Hof van beroep Gent: vertrouwen primeert

Het hof van beroep te Gent gaf de belastingplichtige gelijk.

Hoewel het hof erkende dat het akkoord juridisch problematisch was, oordeelde het dat:

  • de onderneming geen fout of misleiding had begaan
  • zij redelijkerwijze mocht vertrouwen op de gemaakte afspraken

Daarom kon het vertrouwensbeginsel in dit geval zwaarder doorwegen dan het legaliteitsbeginsel, dat traditioneel dominant is in fiscale zaken.

Hof van Cassatie bevestigt

Het Hof van Cassatie sluit zich nu aan bij deze redenering en gaat zelfs een stap verder.

Volgens het Hof kan een belastingplichtige een “redelijk vertrouwen” ontlenen aan een akkoord met de fiscus, zelfs wanneer dat akkoord:

  • strijdig is met de fiscale wet (contra legem)
  • gebaseerd is op een vergissing (dwaling)
  • juridisch gezien geen geldige oorzaak heeft

Belangrijk is ook dat het Hof bevestigt dat dit vertrouwen kan voortvloeien uit een individueel akkoord. Het hoeft dus niet te gaan om een algemeen beleid of vaste administratieve praktijk.

Wat betekent dit concreet?

Dit arrest onderstreept een duidelijke evolutie in de rechtspraak: het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel winnen aan belang in fiscale geschillen.

Waar vroeger het legaliteitsbeginsel quasi automatisch de doorslag gaf, ontstaat nu meer ruimte om belastingplichtigen te beschermen tegen plotse koerswijzigingen van de fiscus.

Dat betekent concreet:

  • afspraken met de fiscus kunnen juridisch sterker staan dan vroeger
  • de fiscus kan niet zomaar terugkomen op eerdere toezeggingen
  • de concrete omstandigheden van het dossier zijn doorslaggevend

Let op: beoordeling blijft feitelijk

Het Hof van Cassatie benadrukt wel dat dit geen vrijgeleide is.

Of een belastingplichtige zich succesvol kan beroepen op het vertrouwensbeginsel, hangt telkens af van de feiten. De rechter moet nagaan of het vertrouwen in de specifieke situatie effectief “redelijk” was.

Elementen zoals goede trouw, transparantie en de inhoud van het akkoord blijven dus cruciaal.

Keerpunt in de fiscale rechtspraak?

Dit arrest lijkt een volgende stap in een bredere tendens waarbij het vertrouwensbeginsel steeds meer gewicht krijgt.

Eerdere rechtspraak wees al in die richting, maar deze uitspraak maakt expliciet dat zelfs een individueel én juridisch foutief akkoord bescherming kan bieden.

Daarmee ontstaat een nieuw evenwicht:

  • enerzijds de strikte toepassing van de fiscale wet
  • anderzijds de bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen

Conclusie

Het arrest van 12 maart 2026 bevestigt dat vertrouwen in de fiscus geen loos begrip is. In bepaalde gevallen kan het zelfs primeren op de wet zelf.

Voor belastingplichtigen biedt dit extra bescherming. Voor de fiscus betekent het dat voorzichtigheid geboden is bij het maken van afspraken.

Eén ding is zeker: dit arrest zal nog vaak