Het Hof van Cassatie heeft met een arrest van 2 april 2026 een einde gemaakt aan een jarenlang juridisch debat over belastingverhogingen bij laattijdige aangiften. In voltallige zitting oordeelde het Hof dat ook vóór de wetswijziging van 2017 een belastingverhoging kon worden opgelegd wanneer een aangifte te laat werd ingediend.
Deze uitspraak heeft belangrijke implicaties voor oudere fiscale dossiers én lopende geschillen.
De kern van het debat
De discussie draaide rond de interpretatie van artikel 444 van het Wetboek Inkomstenbelastingen 1992.
Vandaag is de wet duidelijk:
een belastingverhoging kan worden opgelegd bij laattijdige indiening van de aangifte.
Die expliciete vermelding werd ingevoerd via de fraudewet van 30 juni 2017.
Maar voor dossiers van vóór 2017 lag dat minder evident. De wet sprak toen enkel over:
- niet-aangifte
- onvolledige of onjuiste aangifte
De vraag was dus: valt een laattijdige aangifte onder “niet-aangifte”?
Verdeelde rechtspraak
Die onduidelijkheid leidde tot tegenstrijdige rechtspraak binnen het Hof van Cassatie zelf.
- In 2018 oordeelde een Nederlandstalige kamer dat een belastingverhoging bij laattijdige aangifte niet mogelijk was
- In 2021 besliste een Franstalige kamer net het tegenovergestelde en zag de wetswijziging van 2017 als een loutere verduidelijking
Met het arrest van 2 april 2026 wordt deze verdeeldheid definitief beslecht.
Cassatie: laattijdig is gelijk aan niet-aangifte
Het Hof van Cassatie volgt nu uitdrukkelijk de ruimere interpretatie.
Volgens het Hof is de overtreding “voltrokken” zodra de wettelijke indieningstermijn verstreken is. Vanaf dat moment moet een laattijdige aangifte worden beschouwd als een niet-aangifte.
Het gevolg is duidelijk:
ook vóór 2017 konden belastingverhogingen rechtsgeldig worden opgelegd bij laattijdige aangiften.
Wetswijziging 2017 is interpretatief
Het Hof gaat nog een stap verder door te oordelen dat de wetswijziging van 2017 een interpretatief karakter heeft.
Dat betekent dat:
- de wet geen nieuwe sanctie heeft ingevoerd
- maar enkel verduidelijkt wat volgens het Hof altijd al de bedoeling was
Volgens Cassatie schendt deze interpretatie het legaliteitsbeginsel niet. Belastingplichtigen konden volgens het Hof redelijkerwijze voorzien dat een laattijdige aangifte tot een sanctie kon leiden, onder meer op basis van bestaande administratieve praktijk en rechtspraak.
Is het debat daarmee afgesloten?
Niet helemaal.
Sinds 2021 bevat de wet nog een bijkomende precisering:
een belastingverhoging bij laattijdige aangifte kan betrekking hebben op het laattijdig aangegeven inkomstengedeelte.
Voor oudere dossiers blijft hierover discussie bestaan.
Zo oordeelde het hof van beroep in Antwerpen recent dat deze wijziging van 2021 geen interpretatieve wet is en dus niet retroactief kan worden toegepast.
Impact op de praktijk
Het nieuwe cassatiearrest kan deze discussie opnieuw op scherp zetten.
Omdat het Hof nu expliciet stelt dat een laattijdige aangifte gelijkstaat aan een niet-aangifte, ontstaat er ruimte voor een ruimere toepassing van belastingverhogingen in oudere dossiers.
Dat kan onder meer betekenen:
- meer risico op sancties in hangende procedures
- minder kans op succesvolle betwistingen gebaseerd op laattijdigheid alleen
- een versterkte positie van de fiscus in historische dossiers
Conclusie
Met dit arrest brengt het Hof van Cassatie eindelijk duidelijkheid in een jarenlang aanslepende discussie.
De boodschap is streng maar helder:
een laattijdige aangifte wordt juridisch gelijkgesteld met een niet-aangifte — ook voor het verleden.
Toch blijft er nog ruimte voor debat, met name over de toepassing van latere wetswijzigingen op oudere dossiers.
Voor belastingplichtigen en adviseurs is het dus belangrijk om lopende dossiers opnieuw kritisch te evalueren in het licht van deze rechtspraak.








