Skip to main content

Het Hof van Cassatie bevestigt dat een belastingverhoging ook kan worden berekend op inkomsten die in een laattijdig ingediende belastingaangifte zijn opgenomen. De wetswijziging van 2021 verduidelijkte volgens het Hof een bestaande regel en voerde dus geen nieuwe sanctie in.

Op 11 september 2026 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de toepassing van een belastingverhoging bij de laattijdige indiening van een belastingaangifte. De zaak had betrekking op de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2017 en draaide om de vraag of de belastingverhoging mocht worden berekend op inkomsten die uiteindelijk wel waren aangegeven, maar buiten de wettelijke termijn.

Het Hof oordeelde dat dit mogelijk was. De wetswijziging van 2021 die dit uitdrukkelijk verduidelijkte, heeft volgens het Hof een interpretatief karakter.

Wat was er aan de hand?

Een vennootschap sloot haar boekjaar af op 31 maart 2017. Haar aangifte in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2017 moest uiterlijk op 31 oktober 2017 worden ingediend. De vennootschap overschreed die termijn en diende haar aangifte pas op 22 mei 2018 in, nadat de administratie een herinnering en een kennisgeving van aanslag van ambtswege had verstuurd.

De administratie kondigde een belastingverhoging van 30% aan en handhaafde die verhoging ook nadat de vennootschap bezwaar had ingediend. Hoewel de belastbare grondslag uit de laattijdige aangifte uiteindelijk werd aanvaard, bleef de belastingverhoging dus behouden.

De zaak kwam vervolgens voor de rechtbank. Die verminderde de verhoging van 30% tot 10% en veroordeelde ook de boekhouder tot een schadevergoeding. In hoger beroep kende het hof van beroep te Antwerpen de vennootschap een volledige ontheffing van de belastingverhoging toe.

De zaak werd daarna voorgelegd aan het Hof van Cassatie.

Wanneer kan een belastingverhoging worden toegepast?

Artikel 444 WIB 92 voorziet in de mogelijkheid om een belastingverhoging toe te passen wanneer bepaalde fiscale verplichtingen niet worden nageleefd.

Uit de samenlezing van de relevante bepalingen van het WIB 92 volgt dat de overtreding in beginsel voltrokken is zodra de wettelijke aangiftetermijn verstreken is. Er kan dus sprake zijn van niet-aangifte wanneer een aangifte helemaal niet wordt ingediend, maar ook wanneer ze pas na de uiterste indieningsdatum wordt ingediend.

De wetgever wijzigde artikel 444 WIB 92 in 2017 om de laattijdige indiening uitdrukkelijk te vermelden en onduidelijkheid daarover weg te nemen.

Er bleef echter discussie bestaan over de berekeningsbasis van de belastingverhoging. De vroegere wettekst verwees naar de belasting op het niet-aangegeven inkomstengedeelte, zonder uitdrukkelijk te vermelden dat ook laattijdig aangegeven inkomsten hieronder vielen.

Met artikel 109 van de wet van 27 juni 2021 voegde de wetgever daarom de woorden “of laattijdig aangegeven” toe aan artikel 444 WIB 92. Die wijziging moest een einde maken aan de betwistingen over de toepassing van een belastingverhoging op inkomsten die wel werden aangegeven, maar pas na het verstrijken van de aangiftetermijn.

De wetswijziging van 2021 is interpretatief

De centrale vraag was of de wetswijziging van 2021 een nieuwe berekeningsregel invoerde, dan wel enkel verduidelijkte hoe de bestaande bepaling moest worden begrepen.

Een interpretatieve wet verduidelijkt de betekenis van een bestaande rechtsregel wanneer daarover onzekerheid of discussie bestaat. Ze wijzigt of vervolledigt die regel niet, maar bevestigt een betekenis die de oorspronkelijke bepaling al had. Daardoor wordt de verduidelijkte betekenis geacht vanaf het begin deel uit te maken van de wet.

Volgens het Hof van Cassatie heeft artikel 109 van de wet van 27 juni 2021 dat interpretatieve karakter. De bepaling verduidelijkt dat de belasting op het niet-aangegeven inkomstengedeelte, zoals bedoeld in artikel 444 WIB 92, van meet af aan ook betrekking had op inkomsten die laattijdig werden aangegeven.

De wijziging voert volgens het Hof dus geen nieuwe overtreding of sanctie met terugwerkende kracht in.

Het oordeel van het Hof van Cassatie

Het hof van beroep had geoordeeld dat de wetswijziging van 2021 geen interpretatieve bepaling was, maar een nieuwe berekeningswijze invoerde. Omdat de belastingverhoging volgens het hof een strafrechtelijk karakter had, kon die nieuwe regel niet met terugwerkende kracht worden toegepast op aanslagjaar 2017.

Het Hof van Cassatie verwerpt die redenering. Aangezien de wetswijziging van 2021 een bestaande regel verduidelijkt, kon de belastingverhoging ook worden berekend op inkomsten die in de laattijdige aangifte waren opgenomen.

Het Hof vernietigt het arrest van het hof van beroep te Antwerpen voor zover het betrekking heeft op de belastingverhoging en de kosten. De zaak wordt in die beperkte omvang verwezen naar het hof van beroep te Gent.

Wat betekent dit voor ondernemingen?

De uitspraak bevestigt dat het indienen van een belastingaangifte na de wettelijke termijn niet zonder fiscale gevolgen blijft, ook wanneer de betrokken inkomsten uiteindelijk wel correct worden aangegeven.

Voor ondernemingen is het daarom belangrijk om de aangiftetermijnen strikt op te volgen. Een laattijdige aangifte kan aanleiding geven tot een belastingverhoging, ook wanneer de belastbare inkomsten nadien door de administratie worden aanvaard.

De uitspraak onderstreept bovendien het belang van een tijdige opvolging van fiscale verplichtingen en van een correcte afstemming met de boekhouder of fiscaal adviseur.

Een laattijdige aangifte rechtzetten blijft belangrijk, maar neemt niet automatisch het risico op een belastingverhoging weg.