Het Hof van Cassatie heeft de Belgische fiscus opnieuw gelijk gegeven in het geschil over de jaarlijkse abonnementstaks op Luxemburgse SICAV’s. Volgens het Hof vormt het Belgisch-Luxemburgse dubbelbelastingverdrag geen beletsel voor de heffing van de taks. Daarmee lijkt de jarenlange discussie grotendeels beslecht, al blijft een arrest van het hof van beroep Gent uit 2024 vooralsnog een aandachtspunt. De Belgische fiscus mag de jaarlijkse taks op collectieve beleggingsinstellingen blijven heffen op Luxemburgse SICAV’s die in België werkzaam zijn. Dat volgt uit een arrest van het Hof van Cassatie van 4 september 2026. De zaak draait om de zogenaamde abonnementstaks, een jaarlijkse Belgische belasting die ook geldt voor buitenlandse instellingen voor collectieve belegging die in België actief zijn. Luxemburgse SICAV’s hebben de voorbije jaren geprobeerd aan die heffing te ontsnappen met een beroep op het Belgisch-Luxemburgse dubbelbelastingverdrag.
Twistpunt: vermogensbelasting
Centraal in de discussie staat de vraag of de Belgische abonnementstaks moet worden beschouwd als een ‘vermogensbelasting’ in de zin van artikel 22 van het dubbelbelastingverdrag met Luxemburg. Als dat het geval zou zijn, komt de heffingsbevoegdheid volgens het verdrag in beginsel toe aan Luxemburg, de woonstaat van de betrokken beleggingsinstelling. België zou de abonnementstaks dan niet mogen heffen. Het hof van beroep Brussel heeft zich jarenlang op dat standpunt gesteld. Ook in een arrest van 25 april 2023 oordeelde het Brusselse hof dat de abonnementstaks onder het dubbelbelastingverdrag valt en dat België de taks bijgevolg niet aan Luxemburgse SICAV’s mocht opleggen. Het Hof van Cassatie volgt die redenering nu niet. In zijn arrest van 4 september, gewezen in voltallige zitting van de eerste kamer, stelt het dat de Belgische abonnementstaks niet onder de toepassing van het Belgisch-Luxemburgse verdrag valt. Het verdrag verhindert België volgens het Hof dan ook niet om de taks te heffen.
Eerdere Cassatiearresten
Het arrest past in een reeks procedures die al jaren aanslepen. In maart 2022 oordeelde het Hof van Cassatie al dat een Luxemburgse SICAV zich niet op het Belgisch-Luxemburgse dubbelbelastingverdrag kon beroepen om aan de abonnementstaks te ontsnappen. De zaak werd vervolgens verwezen naar het hof van beroep Luik, dat in november 2024 in dezelfde richting oordeelde. Enkele weken later, in april 2022, sprak het Hof van Cassatie zich opnieuw over de kwestie uit, ditmaal in een zaak waarin zowel het verdrag met Luxemburg als dat met Nederland aan bod kwam. Het Hof bevestigde opnieuw dat het Luxemburgse verdrag geen bescherming biedt tegen de Belgische abonnementstaks. Voor Nederlandse beleggingsinstellingen kwam het Hof evenwel tot een andere conclusie. Onder het Belgisch-Nederlandse verdrag kwalificeerde de abonnementstaks volgens het Hof wél als een vermogensbelasting, waardoor de heffingsbevoegdheid bij Nederland lag.
Gent houdt discussie nog open
Toch is de discussie over Luxemburgse SICAV’s daarmee niet volledig van de baan. Een belangrijk vraagteken is een arrest van het hof van beroep Gent van 5 november 2024. Dat hof oordeelde, ondanks de eerdere rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat het Belgisch-Luxemburgse dubbelbelastingverdrag België wél verhindert om de abonnementstaks op Luxemburgse SICAV’s toe te passen. Het Gentse hof kwam daarmee tot een andere uitkomst dan de richting die het Hof van Cassatie in 2022 had aangegeven.
De vraag is nu welke gevolgen het nieuwe arrest van 4 september 2026 voor die Gentse rechtspraak heeft. Het Hof van Cassatie heeft zich immers opnieuw, en ditmaal in voltallige zitting van de eerste kamer, uitgesproken over de draagwijdte van het Belgisch-Luxemburgse verdrag.
Voor de Belgische fiscus is het arrest alvast een belangrijke overwinning. Of daarmee ook het laatste juridische discussiepunt over de abonnementstaks op Luxemburgse SICAV’s definitief van tafel is, zal afhangen van de verdere beoordeling van het Gentse arrest en de precieze draagwijdte van de motivering van het Hof van Cassatie.
De jarenlange strijd lijkt daarmee een nieuwe, mogelijk beslissende fase in te gaan.





